Tsjip

Foto’s Bart Cabanier

Griel, Burhinus oedicnemus
Tjiftjaf, Phylloscopus collybita
Torenvalk, Falco tinnunculus
Boerenzwaluw, Hirundo rustica
Boerenzwaluw, Hirundo rustica
Witte kwikstaart, Motacilla alba
Gele kwikstaart, Motacila flava
Blauwborst, Luscinia svecica
Blauwborst, Luscinia svecica
Kleine plevier, Charadrius dubius
Zwartkop, Sylvia atricapilla
Meerkoet, Fulica atra
Grutto, Limosa limosa

In volgorde van verschijnen (Condroz 8-9 mei 2021)

Putter, Carduelis carduelis
Gele kwikstaart, Motacilla flava
Veldleeuwerik, Alauda arvensis
Paapje, Saxicola rubetra
Maartse vlieg, Bibio marci
Blauwe kiekendief (vrouwtje), Circus cyaneus
Veldleeuwerik, Alauda arvensis
Geelgors, Emberiza citrinella
Tapuit, Oenanthe oenanthe
Haas, Lepus europaeus
Oranjetipje, Anthocharis cardamines
Kalf
Roodborsttapuit (vrouwtje), Saxicola rubicola
Kneu, Linaria cannabina
Roodborsstapuit (mannetje), Saxicola rubicola
Bosmestkever, Trypocopris vernalis

Gierzwaluwen

Eind april hoor je de juichende roep van de gierzwaluw. In 1897 schreef Guido Gezelle dit gedicht over deze bijzondere vogel. Wie het hardop leest en de aanwijzing ‘hoe meer leestekens, hoe sterker de uitroep’ volgt, hoort de heerlijk gierende klanken van de gierzwaluw dichterbij komen en weer zwakker worden. De lente vliegt zo je hoofd binnen!

Gierzwaluwen

‘Zie, zie, zie,

zie! zie! zie!                                                      

zie! zie!! zie!!

     zie!!!’

tieren de

zwaluwen,

twee- driemaal

     drie,

zwierende en

gierende:

‘Niemand, die…

      die

bieden den

stiet ons zal!

Wie? wie? wie??

     wie???’

Piepende en

kriepende,

zwak en ge-

zwind;

haaiende en

draaiende,

rap als de

     wind;

wiegende en

vliegende,

vlug op de

     vlerk;

spoeien en

roeien ze

ringsom de

     kerk.

Leege nu

zweven ze, en

geven ze

     bucht;

hooge nu

hemelt hun

vlerke, in de

     lucht:

amper nog

hoore ik … en,

die ‘k niet en

     zie

lijvelijk

zingen ze:

‘Wie??? wie?? wie?

     wie…’

Bron: Guido Gezelle, Hoger dan de sterren, gedichten, Matthijs de Ridder, Pelckmans en Polis, Kalmthout, 2018.

(Ter verduidelijking: bieden den stiet ons zal = niemand zal ons tegenhouden; spoeien =  haasten; bucht = vuil; vlerke = vleugels)

Gierzwaluwen, Apus apus (foto Bart Cabanier)

De ontbrekende schakel

In volle Coronatijd beperkte ons jaarlijks verlof zich vorige zomer tot een tweedaagse uitstap naar Nationaal Park de Maasduinen in de gemeente Bergen in Nederland. Veel tijd om in te pakken had ik niet nodig. In de plaats deed ik wat opzoekwerk naar flora en fauna in de streek.

Nationaal Park De Maasduinen is een bos- en heidegebied, gelegen op een langgerekte zandrug tussen de Maas en de Duitse grens. Het park strekt zich uit over een lengte van ruim 20 kilometer en heeft een breedte van gemiddeld twee à drie kilometer. In totaal is het ruim 4500 hectare groot. Het bevat de langste rivierduingordel van Nederland, in duizenden jaren ontstaan door een samenspel van water, wind en mens.’ ‘Het gentiaanblauwtje werd na 1982 niet meer gezien, maar zijn waardplant , de zeldzame klokjesgentiaan, is er nog wel.’ (Wikipedia)

Op mijn ‘watch and see’ lijstje stonden nu behalve een raaf en een nachtzwaluw ook een klokjesgentiaan. De raaf ken ik nog steeds enkel uit sprookjes. Een avondwandeling naar Averbode Bos en Heide met een bende vogelaars die zich graag laat betoveren door het bezwerende geluid van de nachtzwaluw, had ik aan mij laten voorbijgaan. Het vinden van een klokjesgentiaan zou mijn geloof in sprookjes en mijn gemiste kans op nachtzwaluwen overstijgen.

Om de plant te vinden, kon ik in principe ook uitkijken naar de vlinder of de mier. Dat zit zo: Het gentiaanblauwtje zet zijn eitjes af op de bloemknoppen van de klokjesgentiaan. De larve kruipt uit het ei en laat zich vallen op de grond. De rups wacht op de knoopmier, die hem meedraagt naar het mierennest. De mieren, die verlekkerd zijn op de stof die de rups afscheidt, beschermen en voeden de rups tot hij verpopt en het nest als vlinder verlaat. Vlinder-plant-mier: een harmonieuze driehoeksrelatie. Als één van de schakels verdwijnt, breekt het ecosysteem.

‘Tien jaar duurt het, voor de natuur hersteld is.’ Aan het woord is Dirk Lauwers. Hij is bioloog en  werkzaam op het militair domein en natuurgebied Het Groot Schietveld in Brecht. Op 24 april brandde na een schietoefening 500 tot 750 hectare van het heidelandschap af. De brand is een zware klap voor alle bodemsoorten die niet konden weglopen, -vliegen of -kruipen. Het is een ramp voor het zeldzame gentiaanblauwtje. Broedsels van grondbroeders als nachtzwaluw en boomleeuwerik zijn verloren.

Maandagavond na de brand hoorde ik op het VOC dat  inwoners van Wuustwezel tientallen buizerds boven het dorp zagen cirkelen.  In andere situaties zorgt dit voor veel ‘Oooohs!’ en ‘Aaaahs!’. Nu zweeg ik. De vogels ontvluchtten de brand en lieten hun nesten noodgedwongen achter.

Dit is het derde jaar dat ik mijn maandagavonden van april tot september doorbreng op het VOC. Met veel plezier doe ik de avondshift met shiftverantwoordelijken Dan en Nathalie. Wanneer ik rond 18 u toekom, zijn zij al druk bezig. Ik kan het niet laten eerst even langs de bakken en kooien te gaan om te kijken naar de vogels en de dieren. Meestal begin ik daarna met de nestjongen in de couveuse. Ze sperren hun brede bekken open. Ik stop ze de juiste voeding toe. Wilde dieren – VOC – vrijwilligers: een harmonieuze driehoeksrelatie. Als één van de schakels verdwijnt, breekt het systeem.

In de Maasduinen zag ik geen raaf, ook geen klokjesgentiaan. In de schemering hoorden we in het bos achter onze tent de trillende zang van de nachtzwaluw. Ik blijf geloven in sprookjes.

Blauwborstentijd!

BLUETHROAT, BLOU KEEL, BLAUKELCHEN, BLAHALSI

Dialectnamen: poldernachtegaal, rietnachtegaal, waternachtegaal

Behoort samen met de nachtegaal tot de ‘Lusciniae’ of Aardzangers. Zingt vooral in april.

Bouwt nest op de aardbodem met plantaardig materiaal (gras, bladeren, mos). Nestholte is met dierlijk materiaal bekleed (paardenhaar).

Witgesternde blauwborst legt vier tot zes grijsgroene, bruinachtig gewolkte eieren (18,9 X 14,2 mm groot). Mannetje en wijfje wisselen elkaar tijdens broedperiode (13 tot 14 dagen) af.

Witsterblauwborst, Luscinia svevica cyanecula, Turnhouts Vennnengebied (Foto’s Bart Cabanier)

Walter en de Kriek

Het gebied dat ik zes jaar lang bijna dagelijks doorkruiste lag er drassig bij. In de tijd dat ik er fietste, van 1983 tot 1989, zag je groepjes mannen op het veld en in de statige bosdreven. De boerderij maakte deel uit van de ‘koloniën van weldadigheid’, een plek waar mannelijke landlopers en bedelaars werden opgevangen en onder bewaking werkten op het land en in de werkhuizen. De landlopers zijn verdwenen, landbouwers bewerken de grond en ‘de klapekster’ nam zijn intrek in de boerderij.

‘De klapekster’ is het bezoekerscentrum van Natuurpunt voor de Vallei van het Merkske in Wortel-Kolonie. Klapeksters of blauwe klauwieren zijn bewoners van ruige, licht beboste open terreinen. Ze leven van woelmuizen, kevers en kleine zangvogels. Een zwart masker in combinatie met een uitzonderlijk scherp zicht stelt hen in staat prooien te vangen bij tegenlicht. Om een voorraad aan te leggen, spietsen deze uitmuntende jagers hun prooien met hun gehaakte snavel aan stekels. Ik keek dus uit naar een doorboorde veldkever op een prikkeldraad.

Al die jaren dat ik naar school fietste was ik doof en blind voor een natuurgebied dat omschreven wordt als ‘de Poort naar een stiltegebied boordevol leven’: Zonnedauw, veenbies en dopheide. Verschillende soorten libellen en de zeldzame poelkikker. Broedplaats voor meer dan 75 soorten vogels zoals havik, buizerd, boompieper, bonte vliegenvanger, kuifmees, gekraagde roodstaart, blauwe reiger, krakeend en dodaars. Een thuis voor vleermuis, bosuil, houtsnip, nachtzwaluw, hermelijn, bunzing, wezel en ree.

Wij spraken met een twintigtal verwaaide vogels af aan de ‘Witte poort’, op het kruispunt van Strikkeweg met Heikant. We wachtten op de langslapers die als boete voor het bijna te laat komen, gedwongen fungeerden als ‘koptrekkers’. De troep wilde ganzen vloog vervolgens in volle vaart tien kilometer verder via de Wortelbaan over de Kolonie tot in Hoogstraten.

Vandaag schuimden we de Halsche Beemden af, op zoek naar dat leven onder de regen. De Halsche Beemden is het oudste natuurgebied in de Markvallei. De wandeling van 9,6 kilometer bracht ons van het Bootjesven via de Castelreesche Heide over de Halsche Beemden door de Schootsen Hoek terug naar ons beginpunt aan de Klapekster.

Net voorbij knooppunt 71 voor de Schootsen Hoek, hoorde ik een vogel zijn eigen naam roepen: de grutto! Ik richtte mijn verrekijker op de plas in de verte: twee steltlopers, de ene  wat groter dan de andere. De dunne snavels gingen snel op en neer in de zompige grond. De grootste was een wulp. Ik herkende de lange omlaag gebogen snavel. Iets verder zag ik de oranjebruine borst en oranje-met-zwarte-tip-snavel van de grutto. De slanke deerne schreed elegant over het gras aan de waterkant.

De klapekster kregen we niet te zien, ook geen kevers op stokjes. Ik dacht aan Walter en de Kriek (zijn familienaam was Kersemans, vandaar de bijnaam Kriek). Na school reden een vriendin en ik steevast met Walter en de Kriek naar huis. De Kolonie was net breed genoeg voor vier. Geen wilde ganzen op de terugweg. We floten als merels en tsjilpten als mussen. Hoe dichter bij huis, hoe trager de fietsen. De rit was te kort voor zoveel zoet gekwaak. Van de inhoud van onze gesprekken herinner ik me niets.

Ann

Grutto, Limosa limosa, Turnhouts Vennengebied (foto Bart Cabanier)
Wulp, Numenius Arquata, Turnhouts Vennengebied (foto Bart Cabanier)

Tromgeroffel

Kleine huisdieren, vogels, konijnen, knaagdieren en reptielen. Dit staat op het visitekaartje dat ik dinsdag 9 maart in de wachtruimte van VOC dierenarts Tom Verbeek meeneem. Tom is een van de weinige dierenartsen in de omgeving die zich ook specialiseerde in de verzorging en behandeling van vogels. Een toevalstreffer voor het VOC (opvangcentrum voor vogels en wilde dieren Neteland)!

Om 11.30 u spreek ik met verantwoordelijke Stien af om de dieren op te halen op het VOC en deze met de Dierenambulance VOC Neteland over te brengen naar Dierenartsencentrum Trigenio in Nijlen. Ik rijd mee als sidekick: bakken in- en uitladen, foto’s maken, kijken, luisteren, diagnose en behandeling noteren. Het verslag is voor het VOC’ke (ledenblad VOC).

11.45 u

Vijf dieren in nood wachten op verzorging in de wachtzaal: een kerkuil, een zwarte specht, een meerkoet en twee egels. Ik schrijf nummer, datum van vondst, gewicht en vindplaats in mijn boekje. De zwarte specht maakt zo’n lawaai dat Stien beslist hem buiten verder te laten roffelen tegen het harde plastiek van zijn bak. Aan het lange en luide machinegeweersalvo te horen, gok ik op een mannetje. Wanneer deze grootste der spechten zijn hol uithakt in een oude beuk is het geroffel, dat bij een mannetje langer duurt dan bij het vrouwtje (tot 3 seconden), op 2 tot 4 kilometer hoorbaar.

12.00 u

Tom begroet ons in zijn kabinet.

Kerkuil, nummer 385: Breuk aan linkerschouder, rechteroog beschadigd. Vloog hij ergens tegenaan of werd hij in de vlucht gevat door een auto? Een röntgenfoto schept duidelijkheid. Ernstige breuk. Herstel onmogelijk. Het lijkt hard, maar een vogel die niet kan vliegen, help je best door het dier te laten inslapen. Als het al niet opgepeuzeld wordt, sterft het van de honger. Tom vertelt dat mensen in zo’n geval vaak vragen om het dier alsnog te redden, bij voorbeeld door een vleugel te amputeren. Tom is vastbesloten: Een wilde vogel moet kunnen vliegen. Stien en ik zijn het volledig met hem eens.

Vrouwelijke kerkuil met breuk aan linkerschouder
Röntgenfoto schouder Kerkuil

Zwarte specht, nummer 371: Adult. Geheel rode kruin. Een mannetje, inderdaad. Deze forse vogel werd gevonden in een tuin te Noorderwijk. Op de röntgenfoto is te zien dat de coracoid gebroken is.  De coracoid is een bot in het schoudergewricht van een vogel. Tom legt uit dat een mens 3 botten in zijn schouder heeft: de bovenarm, het schouderblad en het sleutelbeen. Vogels hebben een extra bot aan de schouder: het ravenbeksbeen of os coracoides. Bij vogels speelt het een belangrijke rol bij het vliegen. Behandeling: pijnstillers en rust. Drie weken verblijf in een kleine ruimte zodat hij zijn vleugels niet kan uitslaan. En dan? Vrijlaten!

Dierenartsassistente met zwarte specht
Röntgenfoto schouder zwarte specht

Meerkoet, nummer 298: De meerkoet werd op 17 februari binnengebracht op het VOC. Zijn poot is nog steeds gezwollen. Ook hij gaat onder de scanner. Diagnose: Een klein wonde aan zijn rechterpoot veroorzaakte een gewrichtsinfectie aan het bot. Gevolg: artritis. Behandeling: metacam (ontzwellen) en tweemaal daags 50 milligram clindamycine (antibioticum). Het gewricht zal dikker blijven. Het dier blijft mechanisch manken, maar zal geen pijn meer lijden. Binnen twee weken kijkt Tom het dier opnieuw na. Bij een gunstig resultaat wacht hem de vrijheid.

Meerkoet met artritis in rechterpoot
Röntgenfoto rechterpoot meerkoet

Egels, nummer 58 en 264: De volwassen egels wegen meer dan 1 kilogram en zijn voldoende aangesterkt om uit te zetten in de vrije natuur. De oude wonden aan de kop en op het lichaam worden onder narcose proper gemaakt. Om beurten gaan de egels in de narcose-emmer. Dit is een kleine emmer met in het deksel een plastic buis om verdoving toe te dienen. Nadien krijgen de egels een zuurstofmasker op. De dierenartsassistente verwijdert de korsten van de wonden en ontsmet ze met een spray. De wonden kunnen nu goed helen. Behandeling: twee dagen metacam (pijnstillend en ontstekingsremmend) en een week duphamox (antibioticum).

Narcose-emmer met egel
Egel met zuurstofmasker

13.30 u

Met een volgeladen dierenambulance rijden we terug naar het VOC. Oproep van verantwoordelijke Celeste via de speaker: Op het militair domein Grobbendonk is een gewonde ree gevonden. Of we die kunnen ophalen? Militairen vonden het dier en verwittigden snel het VOC. Het dier zat gekneld tussen de ijzeren poort en de draad van de omheining. In een poging om zich los te rukken, had het dier zich gekwetst. De schuwe ree lag nu uitgeput, angstig en gewond aan poten en kop op de grond. Stien legt er snel een deken overheen. De stress die reeën ervaren in de nabijheid van mensen is levensgevaarlijk. Ze tilt het dier samen met de militairen in de houten transportbak van de ambulance.  Ondanks de snelle oproep en actie om de ree te redden, bleek het dier bij aankomst op het VOC gestorven.

Gewonde ree op het militair domein Grobbendonk

Werken met wilde dieren, het blijft een uitdaging. Niet elk dier kan gered worden, maar elk dier dat je opnieuw vrijlaat, is een nieuwe kans voor de toekomst van het dier en van de diersoort. Op lange termijn is het een voorwaarde voor het voortbestaan van de wilde dieren en voor de instandhouding van het ecosysteem als geheel.

Bedankt VOC, bedankt Trigenio, bedankt vrijwilligers en bedankt de vele mensen voor het signaleren en binnenbrengen van wilde dieren in nood [tromgeroffel]!

It takes a village

Helpers en parasieten in het vogelrijk

Het is des mensen én merkwaardig genoeg ook des vogels dat soortgenoten elkaar helpen bij het grootbrengen van hun gezin. Bij voedselschaarste krijgen de oudste jongen het grootste deel van de koek. Ze worden groter en sterker en verdringen de jongere nestgenoten. Het recht van de sterkste, zal je denken. Misschien, maar geen nood, zelfs in het vogelrijk heerst het Afrikaanse gezegde: ‘It takes a village to raise a child’.

Als vader- en moedervogel niet in staat zijn hun volledige kroost te voeden, is er altijd wel een tante of nonkel in de buurt die ter hulp snelt. Deze ‘broedhelpers’ zijn vaak jonge vogels die zelf geen nest konden bouwen of bij wie het broedsel mislukte.

Waarom doen bepaalde vogelsoorten dit? Is het een daad van vogelliefde? Allicht niet. Dit gedrag maakt deel uit van een instinctieve voortplantingsstrategie: Het eigen broedsucces zal vergroten als de jonge vogels later hun eigen broedsel hebben. Dan worden zij op hun beurt bijgestaan door de jongen die ze zelf hebben helpen grootbrengen. 

De meeste broedhelpers vind je bij koloniebroeders (o.a. gierzwaluwen, oeverzwaluwen, bijeneters). Zij brengen hun jongen groot op een gemeenschappelijke broedlocatie. Als er helpers aanwezig zijn, groeien de jongen sneller. Het derde en vierde jong groeit dan even snel als de oudste twee.

De bijeneter is een koloniebroeder met broedhelpers (Foto Lubos Houska via Pixabay)

De koekoek is geen broedhelper, maar een broedparasiet. Het vrouwtje komt, slim als ze is, pas aan in het broedgebied als de nesten van de andere vogelsoorten reeds gebouwd zijn. Ze legt zo’n 10 tot 25 eieren in verschillende nog niet bebroede nesten. Ze legt 1 ei per nest. Haar voorkeur gaat uit naar het nest van de kleine karekiet of de heggenmus, maar de koekoek heeft zo’n 40-tal pleegouders of  ‘waardvogels’.

Een koekoek die geboren is bij een heggenmus als waardvogel, legt later zelf eieren in het nest van een heggenmus enz. In de loop van de evolutie heeft het ei dat een koekoek achterlaat zoveel mogelijk dezelfde kleur en afmetingen als de andere eieren in het nest van de waardvogel.

Eens het ei gelegd, neemt de lepe dievegge een ander ei mee in haar snavel en slikt het in. De koekoek  beschikt bovendien over twee tenen voor en twee achter (waar dit bij de meeste vogels drie voor en een achter is), om zich stevig aan de nestrand vast te houden tijdens het stelen van de eieren.

De waardvogel merkt niets. De indringer komt na 12 dagen als eerste uit het ei. Het pas uitgekomen koekoeksjong duikt snel onder de andere eieren en wipt ze met behulp van een groef op zijn rug met een ruk over de nestrand. Hij weet: Een nest met één ei zal achtergelaten worden door een waardvogel, maar een nest met één jong laat een vogelouder nooit in de steek.

Het jong is de koning te rijk. Als de nietsvermoedende vogelouders bij het nest komen misleidt het koekoeksjong hen door snelle geluiden te produceren. Hij spert zijn grote oranjerode keel zover open dat het voor de waardvogel lijkt op een nest vol jongen. Het koekoeksjong wordt veel groter dan de waardvogel. De kleine karekiet voedt dan bij voorbeeld een jong dat ettelijke keren groter en zwaarder is dan hemzelf. Dit levert vreemde taferelen op!

Koekoek (foto Bart Cabanier)
De kleine karekiet is een van de waardvogels voor de koekoek. Het nest is al veel te klein voor deze parasiet. (Foto: Per Harald Olsen, CC-BY-SA 4.0)

Wat vliegt daar?

Op 12 april 2019 fiets ik langs de Damse vaart van Brugge naar Damme. In Damme vind je boekhandel Maerlant. Daar koop ik voor 4,20 euro de achtste druk (N.V. W. J. Thieme & CIE – Zutphen, 1952?) van het boek ‘Wat vliegt daar? Volledig zakboek der vogels van Midden-Europa’ met tekst van Dr W. H. Dobben (technisch leider van het ‘Vogeltrekstation Texel’) en met 291 gekleurde en 36 ongekleurde afbeeldingen van W. Goertzen en R. Oeffinger.

In de inleiding schrijft Van Dobben: ‘Dit zakboek bevat een plaatje van bijna iedere in Midden-Europa voorkomende vogel, met een korte aanvullende beschrijving van uiterlijk en stem (die het herkennen vergemakkelijkt) en enige kenmerkende bijzonderheden van de soort.’

Wat verder staat: ‘Over het algemeen kunnen we bij vogelliefhebbers twee stadia onderscheiden: de jacht op soorten en verder het binnendringen in het intieme leven der vogels. Wanneer een beoefenaar van dit eerste stadium alle gewone soorten kent, begint een geanimeerd gedraaf achter zeldzaamheden en als alles nu normaal verloopt, maakt dit gaandeweg plaats voor een rustig terugkeren naar de ‘gewone soorten’, om die te leren kennen in een diepere zin van het woord.

Vandaag schrijf ik 18 maart 2021. Geen idee of ik als vogelliefhebber in het eerste of het tweede stadium zit. De jacht op soorten sloeg ik over, alsook het geanimeerd gedraaf achter zeldzaamheden. Ik houd het graag bij een rustig observeren van ‘de gewone soorten’ om die te leren kennen in een diepere zin van het woord. Na enkele jaren als vogelaar begin ik stilaan te verlangen naar die diepere zin van het woord, hoe die ook moge klinken.

WAT VLIEGT DAAR?

Foto’s van alle vogels zijn van Bart Cabanier, genomen in het Turnhouts Vennengebied en omgeving in de loop van de maanden januari, februari en maart 2021. De ‘stem’ van de vogel nam ik over uit het zakboek van Dr W. H. Van Dobben.

Wulp, Numenius arquata
Roep: helder fluitend oelie, Zang: prachtig gefloten triller
Grutto, Limosa limosa
Roep: tèw, tèderèw (alarm), Zang: wiet-o-wiet-o-wiet, snel en hoog, afgewisseld door klagend to-grut-to-grut-to-grut
Spreeuwenzwerm, Sturnus vulgaris
Roep: pchèèèt, Angstroep: wiest, Vertrek: brusj
Ekster, Pica pica
Roep: rèkèkèkèk, schraak, tjek
Houtduif, Columba palumbus
Zang: koe-koe roe-koe enz.
Bergeend, Tadorna, tadorna
Roep mannetje: fluisterend psieuw, Roep vrouwtje: luid kwakend gègègè
Zilvermeeuw, Larus argentatus
Roep: klau, klie-au, klagend mèèèw, Alarm: gep-gep
Phalacrocorax carbo
Roep: krò
Blauwe reiger, Ardea cinerea
Roep: krijsend schrèèk
Kauw, Corvus monedula
Roep: helder kà, druk gekakel, Alarm: schor: kèè