It takes a village

Helpers en parasieten in het vogelrijk

Het is des mensen én merkwaardig genoeg ook des vogels dat soortgenoten elkaar helpen bij het grootbrengen van hun gezin. Bij voedselschaarste krijgen de oudste jongen het grootste deel van de koek. Ze worden groter en sterker en verdringen de jongere nestgenoten. Het recht van de sterkste, zal je denken. Misschien, maar geen nood, zelfs in het vogelrijk heerst het Afrikaanse gezegde: ‘It takes a village to raise a child’.

Als vader- en moedervogel niet in staat zijn hun volledige kroost te voeden, is er altijd wel een tante of nonkel in de buurt die ter hulp snelt. Deze ‘broedhelpers’ zijn vaak jonge vogels die zelf geen nest konden bouwen of bij wie het broedsel mislukte.

Waarom doen bepaalde vogelsoorten dit? Is het een daad van vogelliefde? Allicht niet. Dit gedrag maakt deel uit van een instinctieve voortplantingsstrategie: Het eigen broedsucces zal vergroten als de jonge vogels later hun eigen broedsel hebben. Dan worden zij op hun beurt bijgestaan door de jongen die ze zelf hebben helpen grootbrengen. 

De meeste broedhelpers vind je bij koloniebroeders (o.a. gierzwaluwen, oeverzwaluwen, bijeneters). Zij brengen hun jongen groot op een gemeenschappelijke broedlocatie. Als er helpers aanwezig zijn, groeien de jongen sneller. Het derde en vierde jong groeit dan even snel als de oudste twee.

De bijeneter is een koloniebroeder met broedhelpers (Foto Lubos Houska via Pixabay)

De koekoek is geen broedhelper, maar een broedparasiet. Het vrouwtje komt, slim als ze is, pas aan in het broedgebied als de nesten van de andere vogelsoorten reeds gebouwd zijn. Ze legt zo’n 10 tot 25 eieren in verschillende nog niet bebroede nesten. Ze legt 1 ei per nest. Haar voorkeur gaat uit naar het nest van de kleine karekiet of de heggenmus, maar de koekoek heeft zo’n 40-tal pleegouders of  ‘waardvogels’.

Een koekoek die geboren is bij een heggenmus als waardvogel, legt later zelf eieren in het nest van een heggenmus enz. In de loop van de evolutie heeft het ei dat een koekoek achterlaat zoveel mogelijk dezelfde kleur en afmetingen als de andere eieren in het nest van de waardvogel.

Eens het ei gelegd, neemt de lepe dievegge een ander ei mee in haar snavel en slikt het in. De koekoek  beschikt bovendien over twee tenen voor en twee achter (waar dit bij de meeste vogels drie voor en een achter is), om zich stevig aan de nestrand vast te houden tijdens het stelen van de eieren.

De waardvogel merkt niets. De indringer komt na 12 dagen als eerste uit het ei. Het pas uitgekomen koekoeksjong duikt snel onder de andere eieren en wipt ze met behulp van een groef op zijn rug met een ruk over de nestrand. Hij weet: Een nest met één ei zal achtergelaten worden door een waardvogel, maar een nest met één jong laat een vogelouder nooit in de steek.

Het jong is de koning te rijk. Als de nietsvermoedende vogelouders bij het nest komen misleidt het koekoeksjong hen door snelle geluiden te produceren. Hij spert zijn grote oranjerode keel zover open dat het voor de waardvogel lijkt op een nest vol jongen. Het koekoeksjong wordt veel groter dan de waardvogel. De kleine karekiet voedt dan bij voorbeeld een jong dat ettelijke keren groter en zwaarder is dan hemzelf. Dit levert vreemde taferelen op!

Koekoek (foto Bart Cabanier)
De kleine karekiet is een van de waardvogels voor de koekoek. Het nest is al veel te klein voor deze parasiet. (Foto: Per Harald Olsen, CC-BY-SA 4.0)

Wat vliegt daar?

Op 12 april 2019 fiets ik langs de Damse vaart van Brugge naar Damme. In Damme vind je boekhandel Maerlant. Daar koop ik voor 4,20 euro de achtste druk (N.V. W. J. Thieme & CIE – Zutphen, 1952?) van het boek ‘Wat vliegt daar? Volledig zakboek der vogels van Midden-Europa’ met tekst van Dr W. H. Dobben (technisch leider van het ‘Vogeltrekstation Texel’) en met 291 gekleurde en 36 ongekleurde afbeeldingen van W. Goertzen en R. Oeffinger.

In de inleiding schrijft Van Dobben: ‘Dit zakboek bevat een plaatje van bijna iedere in Midden-Europa voorkomende vogel, met een korte aanvullende beschrijving van uiterlijk en stem (die het herkennen vergemakkelijkt) en enige kenmerkende bijzonderheden van de soort.’

Wat verder staat: ‘Over het algemeen kunnen we bij vogelliefhebbers twee stadia onderscheiden: de jacht op soorten en verder het binnendringen in het intieme leven der vogels. Wanneer een beoefenaar van dit eerste stadium alle gewone soorten kent, begint een geanimeerd gedraaf achter zeldzaamheden en als alles nu normaal verloopt, maakt dit gaandeweg plaats voor een rustig terugkeren naar de ‘gewone soorten’, om die te leren kennen in een diepere zin van het woord.

Vandaag schrijf ik 18 maart 2021. Geen idee of ik als vogelliefhebber in het eerste of het tweede stadium zit. De jacht op soorten sloeg ik over, alsook het geanimeerd gedraaf achter zeldzaamheden. Ik houd het graag bij een rustig observeren van ‘de gewone soorten’ om die te leren kennen in een diepere zin van het woord. Na enkele jaren als vogelaar begin ik stilaan te verlangen naar die diepere zin van het woord, hoe die ook moge klinken.

WAT VLIEGT DAAR?

Foto’s van alle vogels zijn van Bart Cabanier, genomen in het Turnhouts Vennengebied en omgeving in de loop van de maanden januari, februari en maart 2021. De ‘stem’ van de vogel nam ik over uit het zakboek van Dr W. H. Van Dobben.

Wulp, Numenius arquata
Roep: helder fluitend oelie, Zang: prachtig gefloten triller
Grutto, Limosa limosa
Roep: tèw, tèderèw (alarm), Zang: wiet-o-wiet-o-wiet, snel en hoog, afgewisseld door klagend to-grut-to-grut-to-grut
Spreeuwenzwerm, Sturnus vulgaris
Roep: pchèèèt, Angstroep: wiest, Vertrek: brusj
Ekster, Pica pica
Roep: rèkèkèkèk, schraak, tjek
Houtduif, Columba palumbus
Zang: koe-koe roe-koe enz.
Bergeend, Tadorna, tadorna
Roep mannetje: fluisterend psieuw, Roep vrouwtje: luid kwakend gègègè
Zilvermeeuw, Larus argentatus
Roep: klau, klie-au, klagend mèèèw, Alarm: gep-gep
Phalacrocorax carbo
Roep: krò
Blauwe reiger, Ardea cinerea
Roep: krijsend schrèèk
Kauw, Corvus monedula
Roep: helder kà, druk gekakel, Alarm: schor: kèè

Geluiden waar het hart een sprongetje van maakt

Om het gemakkelijk te maken spraken we af aan de kerk van Hallaar. De windhaan op de toren keek naar het oosten. Een zachte sneeuwlaag bedekte de grafstenen. Een prima dag voor een winterwandeling. Het overstromingsgebied aan de Nete kraakte onder een stralende zon. Verhalen van een ouderwetse winter uit 1979 borrelden op. En al was ik nog lang niet geboren, beelden van de bevroren zee uit 1963 vulden mijn hoofd.

Hallaar aan de Nete, 13 februari 2021

Kleine groepen kramsvogels of tsjaklijsters wiebelden over het ijs. Hun roep klinkt als het geluid van een grote haagschaar: ‘tsjaktsjaktsjaktsjaktsjak’. Na een hevige sneeuwval proberen de kramsvogels een opschuivend sneeuwfront voor te blijven. Zo krijgen we ze in de winter soms in grote aantallen te zien. Ze blijken dol te zijn op bessen. De legende vertelt dat ze na het eten van gistende duindoornbessen stomdronken rondlopen. Niet zo vreemd dus dat ik ze zag waggelen op het ijs. Wat verder zat een wintergast met koperrode ‘oksels’: een koperwiek.

Koperwiek, Turdus Iliacus (foto Bart Cabanier)

Een week later, op zaterdag 20 februari, stond ik opnieuw aan een kerk, ditmaal in Corbion, een klein gehucht nabij Ciney, in het hart van de Condroz. De windhaan rekte zich uit naar het zuidoosten. Ik stapte de Rue du Trou du Renard op. Ik vroeg me net af waar die vos zijn hol zou maken toen ik een zacht trompetter hoorde. Een stoet kraanvogels vloog in V-vorm boven mijn hoofd. Als vanzelf maakte ik een vossensprong. Voor mijn voeten de grond bereikten, slingerden een tweede en een derde golf van die prachtige vogels voorbij. Ze tekenden mijn oude vliegers in de lucht.

Kraanvogeltrek, Corbion, 20 februari 2021
Deze wolf maakt een vossensprong. Vossen hebben een heel typische manier om hun prooi te bespringen. Wolven kunnen dat ook. Exact dezelfde techniek. Foto: Dennis Rademaker

Gedreven door voorplantingsdrift verlieten de kraanvogels enkele dagen eerder massaal hun overwinteringsgebied in Centraal en Zuid-Spanje. Een stevige rugwind uit het zuidoosten duwde de tienduizenden vogels nu met een snelheid van 80, 90 of zelfs 100 kilometer per uur over België en Nederland richting thuishaven in Zweden en Finland.  Eens je het geluid van een troep kraanvogels gehoord hebt, herken je het de rest van je leven: een melancholiek trompetterend ‘krroeh-krroeh-kroedeloedeloedeloed’.

Trekroute van de kraanvogels, Bron: ECMN (European Crane Migration Network)

Op 25 februari fietste ik langs de Boonmarkt in Heist-op-den-Berg. Over de weilanden klonk de nasale roep van twee overvliegende grauwe ganzen. In de verte zag ik de kerk van Hallaar. De toren stond te ver om de windrichting aan de haansnavel af te lezen. Ik zette mijn fiets aan de kant en tuurde over de akker. Daar zat hij, de kievit. Niet veel later duikelden er vier al zingend en spelend door de lucht: ‘kiejuh-widdelWIEP, ie-WIEP ie-WIEP… tjie-oo-WIEP’. Als de wind meezit, maakt je hart vanzelf een sprongetje!

Vluchtafstand

‘Zoogdierhersenen bestaan uit laagjes, zoals een club sandwich, terwijl de hersenen van een vogel meer lijken op een pizza. Alle onderdelen zijn aanwezig, maar ze liggen niet op elkaar gestapeld.

Nicola Clayton, wetenschapper aan de universiteit van Cambridge, bestudeert de cognitieve vermogens van kraaiachtigen en kwam tot deze merkwaardige vaststelling met betrekking tot het brein van vogels. Niet de omvang, maar de dichtheid van neuronen in het brein zou bepalend zijn bij de intelligentie van vogels. Hoewel het brein van vogels dus veel kleiner is dan dat van de zoogdieren beschikken ze over meer neuronen in hun hersenpan. Hierdoor kunnen vogels – tot op zeker niveau -probleemoplossend denken, gebruiken ze soms gereedschap in de vorm van takjes of steentjes, herkennen ze zichzelf in een spiegel én maken ze toekomstplannen.

Zelf word ik er dagelijks aan herinnerd dat onder mijn hersenpan geen club sandwich of een pizza schuilt. In mijn schedel huist een reptielen- en zoogdierenbrein. Aan het gezond verstand twijfel ik wel eens. Elk denkbeeldig onheil doet het reptiel in mij ontwaken. Nog voor het zoogdier mij eraan herinnert dat het ‘maar’ een boze droom is, vlucht ik weg, tenzij ik niet al eerder terplekke ben bevroren.

Vluchten is de beste optie, zowel voor mij als voor veel vogels. Met dit verschil: Vogels vluchten niet voor beelden, maar voor mensen.

Rob Bijlsma, ornitholoog, roofvogelspecialist en onderzoeker, noteerde over meer dan tien jaren de vluchtafstand van 174 vogelsoorten. Op alle daglichturen en voor alle seizoenen mat hij tijdens zijn wandelingen de afstand waarop de vogelsoorten voor hem wegvlogen. Met een vluchtafstand van 190 meter spant de slechtvalk duidelijk de kroon. Hoe zwaarder de vogel, hoe groter de vluchtafstand. De vogel met de kleinste vluchtafstand (1 meter) bleek het goudhaantje. In gevaar is dus de kleinste (8,5 centimeter) en lichtste (4 tot 7 gram) vogel van Europa ook de meest benaderbare.

Goudhaantjes hoor je meer dan dat je ze ziet.  Met hun ijl en hoog gezang -‘zrie, zrie, zrie’– verraden ze zichzelf in de toppen van de bomen. Af en toe, als ze op zoek zijn naar voldoende voedsel, komen ze naar beneden. Ze gaan zo op in hun overlevingsdrang dat je ze bijna aan zou kunnen raken.

In navolging van Bijlsma wandel ik graag op de vluchtafstand van de vogels. Zij hoeven niet te vluchten. Ik weet op welke afstand ik mij houd om hun activiteit niet te verstoren.

Mijn eigen vluchtafstand varieert vandaag (noodgedwongen) van anderhalve meter tot enkele tientallen kilometer. Waar nodig kruip ik weg op grote afstand. Zodra de kust weer veilig is, verkort ik de afstand. Dat vluchten zal ik als reptiel niet kunnen laten, maar je vindt me misschien wel sneller terug, ergens, in de toppen van de bomen. Vluchtafstand: 1 meter.

Ann

Goudhaantje, Regulus regulus, Turnhouts Vennengebied, Koeiven, 30/11/2020, 8.51 u (Foto Bart Cabanier)

Vluchtafstanden van vogels in meters

Aalscholver 125 m

Blauwe reiger 139 m

Boerenzwaluw 20 m

Boomklever 6 m

Buizerd 103 m

Goudhaantje 1 m

Groene specht 31 m

Grote bonte specht 11 m

Grote zilverreiger 166 m

Heggenmus 7 m

Houtduif 41 m

Knobbelzwaan 99 m

Koolmees 5 m

Merel 16 m

Pimpelmees 5 m

Roodborst 7 m

Slechtvalk 190 m

Staartmees 3 m

Wilde eend 86 m

Winterkoning 10 m

Zanglijster 17 m

Zwarte kraai 66 m

Zwarte specht 39 m

De uitgebreide lijst met vluchtafstanden vind je terug in het vogeltijdschrift voor lezers, ‘De Scharrelaar’, 2019/2, p. 108-113 bij het artikel ‘Vluchten kan niet meer’ door Rob Bijlsma.

Staartmees

23/11/2020, Stadsmoeras, Turnhout, 9.47 u, (Foto Bart Cabanier)

Staartmees, Aegithalos caudatus europoeus (Hermann)

Orde PASSERIFORMES – Familie PARIDAE

Van de Balkans, tot noorelijk Italië, Zwitserland, het Westen van Frankrijk, België, Holland, het Zuid-Westen van Duitsland. Andere ondersoorten bevinden zich in andere streken van Europa en Azië. Het ras van het Noorden daalt niet tot in België in de winter. De onze zijn standvogels, overal verspreid waar bossen zijn. Vertoont twee vormen van gevederte: deze met witte kop zonder strepen, zeldzaam, en de gewone met twee strepen op de kop.

Nestelt in zeer afgewisselde plaatsen; nest van mos, korstmos, spinnewebben, in vorm van beurs of peer, zijopening van boven, gevoeierd met overvloedige pluimen; 7-11 witte gevlekte eieren; als regel één broedsel. Eet bijna uitsluitend insecten. Zeer gezellig. Fijne kenschetsende roep: “tsi tsi tsi” en “tjerrrt” of “tjerrrp”; zang: een zacht welluidend gekweel doch met zeer flauwe stem: verbinding van roepgeluiden met lichte veranderingen.

(Bron: De vogels van België, Les oiseaux de Belgique, uitgegeven door N.V. FORT-PRODUKTEN, Itegem, 1959)

Kruisbestuiving

In drie weken tijd was het me nooit opgevallen. Het milde gekwetter ging op in het ochtendgebeuren van een ontwakend huis ouderlingen.

In de leegte van het woonzorgcentrum waar ik sinds 21 september werk, hoorde ik zondagochtend bij het binnenkomen een trompetachtig snorren. Het vreemde geluid lokte me naar een grote houten zeshoek in het centrum van de open ruimte. Achter de tralies herkende ik de zebravinken uit mijn kindertijd. De roodoranje snavel staat als een dwarse piramide tegen de kop gekleefd. In het wit onder het oog loopt een zwarte streep. Een oranje wangvlek siert de mannetjes.

Het cafetaria van het woonzorgcentrum sluit op 17/10. Dit om kruisbesmetting te vermijden. Ik las de laatste zin een tweede maal op het blad aan de automatisch opengaande deur. De verschillende woonhuizen zijn van elkaar gescheiden door een gemeenschappelijke ruimte in het midden. Ik drukte de code in en betrad een van de afgesloten huizen.

Vrijdag werd ieder noodgedwongen onderworpen aan een test. Vanuit de zetel ontwaarde ik een imker. Een venijnig stokje wriemelde tot diep in een van mijn neusgaten. De imker roofde een van mijn honingraten leeg. Ik dacht aan een bij en de gevaren van kruisbestuiving. De kruising van een sierpompoen met een courgette leidt tot vergiftigd zaad en dodelijke vruchten. Dertig meter plantafstand is een goed idee, zeggen moestuinspecialisten. Een woonzorgcentrum is bepaald geen moestuin, al begint het er soms hevig op te lijken.

Ik luisterde nog even naar de zang van de zebra’s. Iedere zebravink heeft een ander geluid. Het mannetje maakt de melodieën. Hoe meer lettergrepen, hoe intelligenter. De jongen leren het gezang van hun vader. Als die vader er niet meer is, leren ze het aan via hun broers die het wel van hun vader konden leren. Ook dat doet de natuur ons voor.

Voor mijn vader (1/11/1941 – 19/10/2008)

Vogel van het jaar

Ik werd verleid door zijn schoonheid en charme. Maar, wie het zwaarst is aangepakt, dient het meest gekoesterd. Dit bedacht ik te laat, net nadat ik mijn stem op de vogel van het jaar had ingezonden via deze website.

Met de verkiezing van ‘Vogel van het jaar’ levert Vogelbescherming Vlaanderen dit jaar haar bijdrage tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europese Green Deal op het vlak van vervoer. Daarom zet ze twaalf vogelsoorten op de sporen. Alle twaalf maken ze gretig gebruik van de voordelen van een duurzaam, innovatief en veilig vervoer. Zo lopen de ringmus en de roek al eens graag op de sporen. De grauwe kiekendief geniet van het uitzicht over de sporen. De ooievaar en de visarend maken zelfs hun nesten boven de sporen.

Onder de loep genomen, is het meest belaagd, bedrogen en beschoten, de spreeuw. De spreeuwenpot, een aarden kruik met een opening langs de zijkant, bleek een handig middel om de middeleeuwse mens op zijn culinaire wenken te bedienen. De potten aan de gevel deden dienst als nestkasten. Eens de jongen vet genoeg, werd dat spreeuwenhuis een loodzwaar kruis. Moeder nam de jonge vogels door het gat in de kruik uit het nest. ‘Wat eten we vanavond?’ riepen de kinderen. ‘Spreeuwensoep!’ brulde ze terug van boven haar dampende pot. 

De wet op de afschaffing van de vogelvangst maakte in 1972 een einde aan dergelijke vogelonvriendelijke praktijken. Het spreeuwenvolk slaagde er helaas niet in de culinaire wandaden te ontlopen: In 1986 betaalde je 7 BEF voor een ongekuiste en 12 BEF voor een gepluimde spreeuw. Aan de kust werden ze je voorgeschoteld als jonge kwartels. En alsof dat niet volstond: Tot nog geen halve eeuw geleden gebruikten fruittelers dynamiet om spreeuwen op te blazen.

De verdelging, het gebrek aan natuurlijke broedplaatsen, de crash van insecten en de teloorgang van andere voedselbronnen zijn verantwoordelijk voor de halvering van het aantal spreeuwen sinds de jaren ’80.

De spreeuw is nochtans een prachtige vogel. In het zonlicht verschijnt een paarsgroene gloed op het wit gespikkelde verenkleed. Hij stapt parmantig, wipt niet op twee poten tegelijk, maar zet de ene poot netjes na de andere. Zijn netvlies is  ultragevoelig. Hij focust eerst verschillende keren met één oog, daarna met het andere. Zijn hersenen vlechten de twee informatiebronnen door elkaar. Beter dan andere dieren kan hij een grote oppervlakte detecteren. Probleemloos pikt hij met zijn scherpe snavel de insectenlarven uit de onder het gras verborgen gangen.

In het najaar arriveren de spreeuwen vanuit Noord- en Midden-Europa in onze streken. Met duizenden tegelijk zoeken ze bij valavond een slaapplaats. Je ziet ze op en neer golven in de lucht. De spreeuwen ‘dansen’ in een zelf-organiserend systeem: één vogel houdt vijf of zes andere vogels in de gaten en reageert bliksemsnel. Net als bij een school vissen verandert zo de ganse groep in vloeiende bewegingen van richting.

De spreeuw roept, zingt en mixt geluiden. Hij produceert tegelijk boven- en ondertonen en kan zijn omgevingsgeluiden perfect imiteren. Hij kopieert moeiteloos het geluid van een kikker, een buizerd, een kip of een specht, maar evengoed dat van dichtgaande treindeuren. En zo beland ik terug op het juiste spoor.

Ik stemde dit jaar voor de derde maal op de ‘Vogel van het jaar’. In 2019 koos ik de grote bonte specht. De steenuil won. In 2020 ging  ik voor het paapje. De goudvink liep weg met de medaille. Voor 2021 viel ik voor de charmes van de blauwe reiger. Ik hoop op een glansrijke zege voor de spreeuw.

Men zegge het voort…

Spreeuw, Sturnus Vulgaris, een perfecte imitator. Na de stilte imiteert deze spreeuw de kolgans , de roep en de roffel van de grote bonte specht;

Breng je stem uit op een van de genomineerden voor 2021 via www.vogelvanhetjaar.be!

Dit is de 15de editie van de verkiezing van ‘Vogel van het jaar’. Hieronder vind je een lijst van de winnaars van de voorbije jaren.

2007 Roodborst

2008 Steenuil

2009 Boerenzwaluw

2010 Winterkoninkje

2011 Bosuil

2012 Gierzwaluw

2013 IJsvogel

2014 Kerkuil

2015 Boomvalk

2016 Heggenmus

2017 Groene specht

2018 Merel

2019 Steenuil

2020 Goudvink

2021 ?

Schrijfwerk

‘Welkom om te helpen met schrijven, als het kan.’ Ik keek even raar op toen ik het las. Er stond geen naam onder het bericht. Ik schrijf al eens graag een woordje neer, maar iemand helpen met schrijven, dat was nieuw. Twee uren later viel mijn frank. Het was Ignace, de huisringer van het VOC, die vanaf half juli tot eind oktober bij het ochtendgloren te vinden is aan zijn netten. Vol passie en met de meeste zorg klemt hij zoveel mogelijk overtrekkende vogels een ring rond de poot.

 Ik ging maar al te graag mee. Om 7.30 u stond ik aan de ringhut. Een eerste controle van de mistnetten leverde mij aardig wat schrijfwerk op: fitis, tjiftjaf, kleine karekiet, sprinkhaanzanger, zwartkop, grasmus, heggenmus, roodborst, gekraagde roodstaart en roodborsttapuit. Ik noteerde soort, leeftijd, geslacht, gewicht en vleugellengte. Een sprinkhaanzanger herken je aan zijn waaierstaart, meer wit op de borst wijst op een jonge fitis, contrastkleur op de veren betekent eerstejaars, lange staartpennen is een ‘mannetje boer’ (boerenzwaluw) enzovoort. In het rijk der vogels telt elk detail.

Een tweede ronde langs de netten bracht ons behalve een enkele pimpel- en koolmees ook een zonderlinge draaihals. De draaihals behoort tot de familie van de spechten. Het is een zeldzame doortrekker die overwintert in Afrika ten zuiden van de Sahara. Zijn naam dankt hij aan zijn flexibele hals die hij in vreemde kronkels kan draaien. Even later richtten vijf paar ogen een bewonderende blik op een rietzanger mét een ring. Deze zangvogel kreeg zijn ring in Noorwegen. In de laatste ronde haalde Ignace een vaalbruine boef met grijze kopkap en spierwitte keel uit het net: een braamsluiper.

Ik vervolledigde de vogellijst van 14 september met witte en gele kwikstaarten uit de slagnetten. De top 3 bestond uit boerenzwaluw (54), kleine karekiet (24) en zwartkop (19). Op vier uren tijd werden 145 vogels en 18 soorten geringd en weer vrijgelaten. Ignace gaf alle gegevens door aan het Belgisch Ringwerk (BeBirds) van het KBIN (Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen). Met behulp van alle verzamelde ringgegevens zorgen zij mee voor de bescherming en instandhouding van de vogelsoorten.

Op www.trektellen.nl kan je nauwkeurig de trektellingen en ringvangsten van de overtrekkende vogels volgen.

Ik stuurde Ignace vandaag een bericht terug: ‘Als ik kan helpen schrijven, met alle plezier!’

Ann

Draaihals, Jynx torquilla
Braamsluiper, Sylvia curruca

Bubbeltrek

Ze zijn verre van talrijk, maar ze bestaan: mensen die opleven in een bubbel. Ze lijken er zelfs in te groeien en te bloeien. Langzaam klimmen ze op langs de rand. Ze wippen erover en komen je tegemoet, heel even. Ze verglijden in stilte en stijgen weer op in hun bubbel.

Met enige verbeelding volgt deze zeldzame soort het ritme van de op thermiek vliegende trekvogel.

De ooievaar geeft het goede voorbeeld. Waar de zon de lucht opwarmt, ontstaan op bepaalde plekken boven de grond thermiekbellen. Tijdens de trekperiode zoekt de ooievaar zo’n opstijgende warmeluchtkolom. Al cirkelend klimt hij omhoog. Eens boven, zweeft hij weg in de trekrichting. Zonder met zijn vleugels te slaan, legt hij tijdens de daling een grote afstand af, precies genoeg om een volgende luchtkolom te bereiken.

De trekroute van een thermiekvlieger bestaat dus eigenlijk uit een aaneengesloten serie van heteluchtbubbels. Op die manier kan een ooievaar per dag een afstand van 150 tot 300 km afleggen. Hij overwintert op het Iberisch schiereiland of in West-Afrika.

Grote vogels met brede vleugels (o.a. ooievaars en grote roofvogels) vliegen op thermiek in thermiekbellen.

Op maandag 24 augustus vond ik in de stille ruimte van het VOC een verzwakte ooievaar uit Morkhoven. Aan zijn snavel ontbrak een stukje. Mijn taak: ‘omzetten’ in een propere bak en als voedsel tien sprotten. Hij liet zich makkelijk verplaatsen. Ik schotelde hem zijn portie verse vis voor.

Ik vroeg me af of deze ooievaar deel uitmaakte van het ‘Mysterie van Nijlen’. Daar en in de buurgemeenten Grobbendonk, Vorselaar en Zandhoven werden in de loop van de week omwonenden opgeschrikt door enkele luide knallen, gevolgd door een korte stroompanne. De hoogspanningsnetbeheerder zocht zich suf naar de oorzaak van de problemen. De nachtelijke patrouille van Elia ontdekte hoe de vork aan de steel zat. De ooievaarstrek was op gang. Vliegen op thermiek kan enkel overdag. Grote groepen ooievaars zoeken dus een slaapplek, o.a. op de hoogspanningsmasten. Als een ooievaar te hevig vertrekt of met zijn vleugel een leiding krachtig raakt, gaat die lijn in overslag en valt de stroom een paar seconden uit. In het slechtste geval worden de dieren geëlektrocuteerd.

Amateurfotografen legden eind augustus grote groepen ooievaars (Ciconia ciconia) vast in Herenthout en omgeving. (Foto Christel Van Dijck)

Eind augustus werden in Vlaanderen recordaantallen ooievaars geteld: op 20 augustus 140 exemplaren boven Bouwel en Herenthout, op 29 augustus 110 boven Rosneux, 111 in Maaseik enz. Waar die hoge aantallen plots vandaan kwamen, blijft gissen: een succesvol broedseizoen, een aanvulling met Deense en Duitse vogels, de gunstige noordenwind? Op Europees vlak stellen deze aantallen weinig voor, al blijft de ontdekking van zo’n grote groep ooievaars op mijn netvlies gebrand.

Enkele jaren geleden tijdens een fietstocht bij valavond: ‘Kijk, een grote vogel!’ Mijn dochter schreeuwde me toe van in haar zitje achterop de fiets. Ik keek en zag een ooievaar op de nok van een dak. Ze bleef roepen: ‘Mama, kijk!’ We zagen er niet één, maar tientallen. Ze zaten op de daken en de hoogspanningsdraden in de Groenstraat in Booischot.

De ooievaar uit Morkhoven verbleef op vrijdag 4 september in Vliegkooi 1 van het VOC. Stien verzekerde me dat hij goed at en weldra zou worden vrijgelaten. Aangesterkt en gezond kan hij samen met zijn soortgenoten zijn ‘bubbeltrek’ naar het zuiden verderzetten.

Jamm ak jamm!’ (Wolof, taal in Senegal, betekent: Tot ziens!)

Buizerd, Buteo buteo, vliegend op thermiek, Koningshooikt, 13/09/2020, 16.08 u

Alsof je erbij was

Naar jaarlijkse traditie is het de eerste zondag van september opendeurdag op VOC Neteland. Dit jaar ging deze wegens Corona niet door, of het is te zeggen, wel door, maar dan anders.

Via facebook kon je de hele dag live filmpjes bekijken: een rondleiding met uitleg door medewerkers, vrijwilligers en huisringer, een blik in de verzorgingsruimte, het egelhuis, de stille ruimte, de groene winkel, het opvanghuis, de vliegkooien, het verblijf van de reeën … , de vrijlating van merels, torenvalken, sperwers … , de verzorging van de oehoe e.a.

Wie dit gemist heeft, kan terecht op de facebookpagina van VOC Neteland.

Als voorproefje hieronder alvast een filmpje van de vrijlating van deze schelm, Reinaert de Vos.

https://photos.app.goo.gl/duQnW7rNz3v4XaNSA

Uit ‘De schelmenstreken van Reinaert de Vos’, tekst, Koos Meinderts, afbeelding, Charlotte Dematons

Allen daarheen!