Vogel van het jaar

Ik werd verleid door zijn schoonheid en charme. Maar, wie het zwaarst is aangepakt, dient het meest gekoesterd. Dit bedacht ik te laat, net nadat ik mijn stem op de vogel van het jaar had ingezonden via deze website.

Met de verkiezing van ‘Vogel van het jaar’ levert Vogelbescherming Vlaanderen dit jaar haar bijdrage tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europese Green Deal op het vlak van vervoer. Daarom zet ze twaalf vogelsoorten op de sporen. Alle twaalf maken ze gretig gebruik van de voordelen van een duurzaam, innovatief en veilig vervoer. Zo lopen de ringmus en de roek al eens graag op de sporen. De grauwe kiekendief geniet van het uitzicht over de sporen. De ooievaar en de visarend maken zelfs hun nesten boven de sporen.

Onder de loep genomen, is het meest belaagd, bedrogen en beschoten, de spreeuw. De spreeuwenpot, een aarden kruik met een opening langs de zijkant, bleek een handig middel om de middeleeuwse mens op zijn culinaire wenken te bedienen. De potten aan de gevel deden dienst als nestkasten. Eens de jongen vet genoeg, werd dat spreeuwenhuis een loodzwaar kruis. Moeder nam de jonge vogels door het gat in de kruik uit het nest. ‘Wat eten we vanavond?’ riepen de kinderen. ‘Spreeuwensoep!’ brulde ze terug van boven haar dampende pot. 

De wet op de afschaffing van de vogelvangst maakte in 1972 een einde aan dergelijke vogelonvriendelijke praktijken. Het spreeuwenvolk slaagde er helaas niet in de culinaire wandaden te ontlopen: In 1986 betaalde je 7 BEF voor een ongekuiste en 12 BEF voor een gepluimde spreeuw. Aan de kust werden ze je voorgeschoteld als jonge kwartels. En alsof dat niet volstond: Tot nog geen halve eeuw geleden gebruikten fruittelers dynamiet om spreeuwen op te blazen.

De verdelging, het gebrek aan natuurlijke broedplaatsen, de crash van insecten en de teloorgang van andere voedselbronnen zijn verantwoordelijk voor de halvering van het aantal spreeuwen sinds de jaren ’80.

De spreeuw is nochtans een prachtige vogel. In het zonlicht verschijnt een paarsgroene gloed op het wit gespikkelde verenkleed. Hij stapt parmantig, wipt niet op twee poten tegelijk, maar zet de ene poot netjes na de andere. Zijn netvlies is  ultragevoelig. Hij focust eerst verschillende keren met één oog, daarna met het andere. Zijn hersenen vlechten de twee informatiebronnen door elkaar. Beter dan andere dieren kan hij een grote oppervlakte detecteren. Probleemloos pikt hij met zijn scherpe snavel de insectenlarven uit de onder het gras verborgen gangen.

In het najaar arriveren de spreeuwen vanuit Noord- en Midden-Europa in onze streken. Met duizenden tegelijk zoeken ze bij valavond een slaapplaats. Je ziet ze op en neer golven in de lucht. De spreeuwen ‘dansen’ in een zelf-organiserend systeem: één vogel houdt vijf of zes andere vogels in de gaten en reageert bliksemsnel. Net als bij een school vissen verandert zo de ganse groep in vloeiende bewegingen van richting.

De spreeuw roept, zingt en mixt geluiden. Hij produceert tegelijk boven- en ondertonen en kan zijn omgevingsgeluiden perfect imiteren. Hij kopieert moeiteloos het geluid van een kikker, een buizerd, een kip of een specht, maar evengoed dat van dichtgaande treindeuren. En zo beland ik terug op het juiste spoor.

Ik stemde dit jaar voor de derde maal op de ‘Vogel van het jaar’. In 2019 koos ik de grote bonte specht. De steenuil won. In 2020 ging  ik voor het paapje. De goudvink liep weg met de medaille. Voor 2021 viel ik voor de charmes van de blauwe reiger. Ik hoop op een glansrijke zege voor de spreeuw.

Men zegge het voort…

Spreeuw, Sturnus Vulgaris, een perfecte imitator. Na de stilte imiteert deze spreeuw de kolgans , de roep en de roffel van de grote bonte specht;

Breng je stem uit op een van de genomineerden voor 2021 via www.vogelvanhetjaar.be!

Dit is de 15de editie van de verkiezing van ‘Vogel van het jaar’. Hieronder vind je een lijst van de winnaars van de voorbije jaren.

2007 Roodborst

2008 Steenuil

2009 Boerenzwaluw

2010 Winterkoninkje

2011 Bosuil

2012 Gierzwaluw

2013 IJsvogel

2014 Kerkuil

2015 Boomvalk

2016 Heggenmus

2017 Groene specht

2018 Merel

2019 Steenuil

2020 Goudvink

2021 ?

Schrijfwerk

‘Welkom om te helpen met schrijven, als het kan.’ Ik keek even raar op toen ik het las. Er stond geen naam onder het bericht. Ik schrijf al eens graag een woordje neer, maar iemand helpen met schrijven, dat was nieuw. Twee uren later viel mijn frank. Het was Ignace, de huisringer van het VOC, die vanaf half juli tot eind oktober bij het ochtendgloren te vinden is aan zijn netten. Vol passie en met de meeste zorg klemt hij zoveel mogelijk overtrekkende vogels een ring rond de poot.

 Ik ging maar al te graag mee. Om 7.30 u stond ik aan de ringhut. Een eerste controle van de mistnetten leverde mij aardig wat schrijfwerk op: fitis, tjiftjaf, kleine karekiet, sprinkhaanzanger, zwartkop, grasmus, heggenmus, roodborst, gekraagde roodstaart en roodborsttapuit. Ik noteerde soort, leeftijd, geslacht, gewicht en vleugellengte. Een sprinkhaanzanger herken je aan zijn waaierstaart, meer wit op de borst wijst op een jonge fitis, contrastkleur op de veren betekent eerstejaars, lange staartpennen is een ‘mannetje boer’ (boerenzwaluw) enzovoort. In het rijk der vogels telt elk detail.

Een tweede ronde langs de netten bracht ons behalve een enkele pimpel- en koolmees ook een zonderlinge draaihals. De draaihals behoort tot de familie van de spechten. Het is een zeldzame doortrekker die overwintert in Afrika ten zuiden van de Sahara. Zijn naam dankt hij aan zijn flexibele hals die hij in vreemde kronkels kan draaien. Even later richtten vijf paar ogen een bewonderende blik op een rietzanger mét een ring. Deze zangvogel kreeg zijn ring in Noorwegen. In de laatste ronde haalde Ignace een vaalbruine boef met grijze kopkap en spierwitte keel uit het net: een braamsluiper.

Ik vervolledigde de vogellijst van 14 september met witte en gele kwikstaarten uit de slagnetten. De top 3 bestond uit boerenzwaluw (54), kleine karekiet (24) en zwartkop (19). Op vier uren tijd werden 145 vogels en 18 soorten geringd en weer vrijgelaten. Ignace gaf alle gegevens door aan het Belgisch Ringwerk (BeBirds) van het KBIN (Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen). Met behulp van alle verzamelde ringgegevens zorgen zij mee voor de bescherming en instandhouding van de vogelsoorten.

Op www.trektellen.nl kan je nauwkeurig de trektellingen en ringvangsten van de overtrekkende vogels volgen.

Ik stuurde Ignace vandaag een bericht terug: ‘Als ik kan helpen schrijven, met alle plezier!’

Ann

Draaihals, Jynx torquilla
Braamsluiper, Sylvia curruca

Bubbeltrek

Ze zijn verre van talrijk, maar ze bestaan: mensen die opleven in een bubbel. Ze lijken er zelfs in te groeien en te bloeien. Langzaam klimmen ze op langs de rand. Ze wippen erover en komen je tegemoet, heel even. Ze verglijden in stilte en stijgen weer op in hun bubbel.

Met enige verbeelding volgt deze zeldzame soort het ritme van de op thermiek vliegende trekvogel.

De ooievaar geeft het goede voorbeeld. Waar de zon de lucht opwarmt, ontstaan op bepaalde plekken boven de grond thermiekbellen. Tijdens de trekperiode zoekt de ooievaar zo’n opstijgende warmeluchtkolom. Al cirkelend klimt hij omhoog. Eens boven, zweeft hij weg in de trekrichting. Zonder met zijn vleugels te slaan, legt hij tijdens de daling een grote afstand af, precies genoeg om een volgende luchtkolom te bereiken.

De trekroute van een thermiekvlieger bestaat dus eigenlijk uit een aaneengesloten serie van heteluchtbubbels. Op die manier kan een ooievaar per dag een afstand van 150 tot 300 km afleggen. Hij overwintert op het Iberisch schiereiland of in West-Afrika.

Grote vogels met brede vleugels (o.a. ooievaars en grote roofvogels) vliegen op thermiek in thermiekbellen.

Op maandag 24 augustus vond ik in de stille ruimte van het VOC een verzwakte ooievaar uit Morkhoven. Aan zijn snavel ontbrak een stukje. Mijn taak: ‘omzetten’ in een propere bak en als voedsel tien sprotten. Hij liet zich makkelijk verplaatsen. Ik schotelde hem zijn portie verse vis voor.

Ik vroeg me af of deze ooievaar deel uitmaakte van het ‘Mysterie van Nijlen’. Daar en in de buurgemeenten Grobbendonk, Vorselaar en Zandhoven werden in de loop van de week omwonenden opgeschrikt door enkele luide knallen, gevolgd door een korte stroompanne. De hoogspanningsnetbeheerder zocht zich suf naar de oorzaak van de problemen. De nachtelijke patrouille van Elia ontdekte hoe de vork aan de steel zat. De ooievaarstrek was op gang. Vliegen op thermiek kan enkel overdag. Grote groepen ooievaars zoeken dus een slaapplek, o.a. op de hoogspanningsmasten. Als een ooievaar te hevig vertrekt of met zijn vleugel een leiding krachtig raakt, gaat die lijn in overslag en valt de stroom een paar seconden uit. In het slechtste geval worden de dieren geëlektrocuteerd.

Amateurfotografen legden eind augustus grote groepen ooievaars (Ciconia ciconia) vast in Herenthout en omgeving. (Foto Christel Van Dijck)

Eind augustus werden in Vlaanderen recordaantallen ooievaars geteld: op 20 augustus 140 exemplaren boven Bouwel en Herenthout, op 29 augustus 110 boven Rosneux, 111 in Maaseik enz. Waar die hoge aantallen plots vandaan kwamen, blijft gissen: een succesvol broedseizoen, een aanvulling met Deense en Duitse vogels, de gunstige noordenwind? Op Europees vlak stellen deze aantallen weinig voor, al blijft de ontdekking van zo’n grote groep ooievaars op mijn netvlies gebrand.

Enkele jaren geleden tijdens een fietstocht bij valavond: ‘Kijk, een grote vogel!’ Mijn dochter schreeuwde me toe van in haar zitje achterop de fiets. Ik keek en zag een ooievaar op de nok van een dak. Ze bleef roepen: ‘Mama, kijk!’ We zagen er niet één, maar tientallen. Ze zaten op de daken en de hoogspanningsdraden in de Groenstraat in Booischot.

De ooievaar uit Morkhoven verbleef op vrijdag 4 september in Vliegkooi 1 van het VOC. Stien verzekerde me dat hij goed at en weldra zou worden vrijgelaten. Aangesterkt en gezond kan hij samen met zijn soortgenoten zijn ‘bubbeltrek’ naar het zuiden verderzetten.

Jamm ak jamm!’ (Wolof, taal in Senegal, betekent: Tot ziens!)

Buizerd, Buteo buteo, vliegend op thermiek, Koningshooikt, 13/09/2020, 16.08 u

Alsof je erbij was

Naar jaarlijkse traditie is het de eerste zondag van september opendeurdag op VOC Neteland. Dit jaar ging deze wegens Corona niet door, of het is te zeggen, wel door, maar dan anders.

Via facebook kon je de hele dag live filmpjes bekijken: een rondleiding met uitleg door medewerkers, vrijwilligers en huisringer, een blik in de verzorgingsruimte, het egelhuis, de stille ruimte, de groene winkel, het opvanghuis, de vliegkooien, het verblijf van de reeën … , de vrijlating van merels, torenvalken, sperwers … , de verzorging van de oehoe e.a.

Wie dit gemist heeft, kan terecht op de facebookpagina van VOC Neteland.

Als voorproefje hieronder alvast een filmpje van de vrijlating van deze schelm, Reinaert de Vos.

https://photos.app.goo.gl/duQnW7rNz3v4XaNSA

Uit ‘De schelmenstreken van Reinaert de Vos’, tekst, Koos Meinderts, afbeelding, Charlotte Dematons

Allen daarheen!

Admiraal

Ik ben de wijnstok

Mijn Vader de wijngaardenier

Gij zijt de ranken,

dus blijft in mij, ik blijf in u,

dan vindt Hij vruchten hier.’

Het is twijfelachtig of dergelijke schunnige liedjesteksten vandaag de dag bedekt zouden worden met de mantel der liefde. In mijn kindertijd zong de hele kerk deze woorden nochtans uit volle borst mee. Mijn vriendin en ik floten de noten. De klas zong in canon. Een enkeling, die niet kon fluiten of zingen, kreeg de benijdenswaardige taak de maat aan te geven op het do-staafje van de xylofoon. Vooraan probeerde de meester-dirigent, als een keurig bevelen gevende admiraal, de meute in het juiste ritme te houden. Zo opende begin jaren ’80 op 1 september onze school zijn deuren.

Vandaag nam ik een foto van de admiraal, niet de man, wel de vlinder: de Vanessa Atalanta of admiraalvlinder. De gelijkenis tussen man en vlinder is treffend: een zwart kostuum, in de voorvleugel enkele witte vlekken, een oranjerode band dwars over de vleugel naar de hoek van de binnenrand.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is atalanta-15-1024x826.jpg
Admiraal kostuum | Feestkleding heren | Goedkope Feestkleding |  Versieringen | Feestartikelen | Carnavalskostuums | Feestartikelen4u.nl

De atalanta is de laatste vlinder voor de winter. In september, oktober trekt hij naar Zuid-Europa om te overwinteren. Hij vliegt op grote hoogte –soms ’s nachts- en maakt hiervoor gebruik van de noordenwind. In vijf weken tijd kan hij vanuit Finland de Middellandse Zee bereiken. Het is dus zeer waarachtig dat menig admiraal vanop zijn vloot groepjes trekkende atalanta’s kon gadeslaan. ‘Go, butterflies, Go!’

‘Go, Butterflies, Go!’ is een Nederlandse natuurdocumentaire uit 2007 van cineaste Josephine Hamming over de trektocht van de Vanessa Atalanta. Hierboven zie je de trailer.

Ik zag er een hangen aan de rottende druiven in de tuin. De mannetjes voeden zich overdag met het sap van de druiven. Van de late middag tot de vroege avond verdedigen ze hun territorium. De grenzen van bezet gebied bakenen ze af door het uitvoeren van patrouillevluchten. Met een opwaartse spiraalvlucht verjagen ze andere mannetjes. De volgende dag bezetten ze een nieuw gebied.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is atalanta-11-1024x683.jpg

De tuinvlindertelling van juli 2020 leverde de atalanta’s de hoofdprijs op. Nooit lette ik op het blauw in de vleugels en op de zwarte stippen aan de rand. Het zijn er vier op beide achtervleugels. ‘Neen mevrouw,  geen adjudant, majoor of korporaal. Vier sterren: Mijn naam is admiraal!’

Atalanta, Vanessa atalanta, Heist-op-den-Berg, 27/08/2020, 14.46 u
Zonder brandnetel kan de Atalanta zich niet voortplanten.

De zwarte madam

Mijn man is oplossings- en actiegericht. Ik  niet. Ik ben afwachtend en besluiteloos. Ik schrijf mijzelf een zekere mate van luiheid toe, al spreek ik -Lamme goedzakgewijs- in een milde bui liever over lam dan lui. Ik geef een voorbeeld.

Op zaterdagavond stond vast dat we op zondag de Oudsberg zouden beklimmen. Op de website van de Limburgse duinengordel (www.duinengordel.be) staat die ‘berg’ beschreven als de parel in een landschap van goud: de hoogste en open stuifduin van Vlaanderen. Alle reden dus om vroeg uit de veren te komen. En toch, de lamlendigheid in mij draaide zich een paar keer om zodat ik pas omstreeks 11 u aan de ontbijttafel verscheen, ruim te laat voor de start van een verkwikkende dagtocht.

Ik zag me de rest van de zondag doorbrengen in een mist van nietsdoenerij. Nog voor ik de slaap uit mijn lijf had gerekt kwam mijn man met een plan: ‘Erps-Kwerps!’ Ik hoorde de vogels al fluiten.

Ter plaatse hoorden we meer vliegtuigen dan vogels, maar de natuur is er prachtig. Het Silsombos maakt deel uit van het streekontwikkelingsproject De Groene Vallei dat verschillende natuurgebieden met elkaar verbindt en zo de biodiversiteit vergroot. Het moet de enige plek in Vlaanderen zijn waar je tegelijkertijd kan vliegtuig- én vogelspotten.

Had ik er niet eerder op gelet of was dit een uitzonderlijke plek? De anderhalve meter hoge plant leek op een toren van paraplu’s waarvan de baleinen na een hevige windstoot naar de verkeerde kant waren omgeslagen. Behalve lui ben ik ook heel nieuwsgierig. Ik zocht het op. Reuzenpaardenstaarten zijn oerplanten van 300 miljoen jaren geleden. Fossielen bewijzen dat de paardenstaarten ten tijde van de dinosaurussen tot 30 meter hoog werden. Dertig meter! Stel je voor!

Een landkaartje leidde me naar de herfsttijloos. Het lijken onschuldige elfjes, maar zijn uiterst giftig. Een hap van dit naakt begijntje en zelfs het sterkste paard zijgt langzaam neer. Het gevaar loerde om de hoek. Verderop botsen we op de zwarte madam. Als een afgewezen maagd stond ze te bidden aan de waterkant. Achtergelaten door haar soldaat stortte ze zich radeloos in de beek en verdronk. Haar geest bleef dwalen en zou argeloze reizigers het water inlokken. Aan de oever zag ik fraaie libellen. Ik ging door mijn knieën voor een foto en tuimelde bijna de beek in.

Zonder er een te zien, leerde ik over de kroonjuwelen van het bos. De hele weg zocht ik naar de negen orchideeënsoorten, waaronder de brede orchis, de grote muggenorchis, de bijenorchis en de bosorchis. ‘Juni, mevrouw, dat is de bloeiperiode van de orchideeën’. Een vriendelijke dame kwam me verlossen. Ik prees haar de hemel in en zag een laatste vliegtuig boven mijn hoofd passeren.

Ik trok nog wat foto’s van de reuzenpaardenstaarten. Begeesterd keerden we huiswaarts. Mijn man redde me zondag van de luiheid.

In volgorde van verschijnen op 23 augustus in het Silsombos, Erps-Kwerps

Reuzenpaardenstaart, Equisetum telmateia
Landkaartje, Araschnia levana
Klein koolwitje, Pieris rapae
Krasser, Pseudochorthippus parallelus
Elzenhaantje, Agelastica alni
Herfsttijloos, Colchicum autumnale, in de volksmond spreekt men van ‘naakte begijntjes’
Weidebeekjuffer, Calopteryx splendens
Bosbeekjuffer, Calopteryx virgo
De zwarte madam
Vliegtuig boven het Silsombos
Paard aan de rand van het Silsombos
Reuzenpaardenstaarten, Equisetum telmateia

Krabben en bijten

Opgepast! Overstekende kabouters. Prompt miste ik mijn dochter op de achterbank. Het was geen verlangen om haar meteen te zien. Het kamp waar ze aan deelnam zou haar meer deugd doen dan een wandeling in de Groote Peel in Nederlands Limburg. Het was een soort van ‘samenzweerdersgemis’. Indien die term niet zou bestaan, vind ik hem ter plekke uit.

We zouden allebei in de lach schieten. Zij, omdat ze de kabouters zo voor haar neus over de weg zag  marcheren (‘hey ho, hey ho, je krijgt het niet cadeau’). Ik, omdat ik door een verkeersbord aan de ingang van een Nationaal Park  geholpen werd in mijn overtuigingskracht mijn dochter van zeven (tot grote ergernis van haar oudere broer en zussen) zo lang mogelijk in de waan te laten dat kabouters geen verzinsel, maar werkelijkheid zijn.

Een wandeling zonder kinderen maakt plaats voor ander levend wild. Passeerden achtereenvolgens de revue: oranje zandoogje, gevlekte smalboktor, zwarttipsmalboktor, watersnuffel, bont zandoogje, vermiljoenhoutzwam, vingerhoedskruid, klein geaderd witje, roodborsttapuit (mannetje), roodborsttapuit (vrouwtje), buizerd, grote populierenhaan, glad beertje, sprinkhaan onbekend, zanglijster en rode wouw.

Lang stilstaan onderweg bleek onmogelijk wegens een record aantal muggen. Mocht iemand eraan twijfelen, muggen steken niet, ze bijten. Kortgebroekte wandelaars stapten al krabbend aan hun kuiten door de heide. Jong en oud sloeg wild om zich heen om elk bloot stukje van het lichaam te vrijwaren van de scherpe beten van de aanklampende muggen. Mensen pijnigden hierbij niet enkel zichzelf, maar namen van de gelegenheid gebruik hun dierbaren liefdevol af te kloppen bij het afweren van zulk grof geschut.

Betreden op eigen risico! ‘Wel of niet door de poort?’ vraag je je dan af. Neem je het risico aangevallen te worden door een bende wilde runderen in ruil voor een blik op een vogel of blijf je veilig op het pad? De angst voor een georkestreerde muggenaanval hield ons op het pad. De muggen baarden mij meer zorgen dan een op hol geslagen rund!

Ik begon een betoog over het toppunt van de menselijke kwetsbaarheid, dit keer tot lichte ergernis van mijn man. ‘Een mug klop je toch zo dood?’ zou nu ook mijn dochter zeggen. Ze hadden weer maar eens gelijk. Het verstand wint het altijd van de verbeelding, tenzij je een kabouter bent.

Op deze site vind je alle info over het Nationaal Park De Groote Peel.

Nieuwlichter

Enkele van mijn boeken bewaar ik als archeologische vondsten. Voor mijn veertiende verjaardag kreeg ik de Geïllustreerde Wereldgeschiedenis van de Archeologie (Fasani, 1981) cadeau van mijn ouders. Het moet zijn dat ze toen al doorhadden dat ik het graag diep onder of ver boven de grond zoek.

Mijn fascinatie voor het oude begon bij het kapsel van Cleopatra. Soms heb je het geluk iemand tegen het lijf te lopen die zich zo vereenzelvigt met zijn of haar studieobject dat deze persoon zich na verloop van tijd als een levend fossiel voor je openbaart. Zo ontwaarde ik in 1986 in het kapsel van mijn leerkracht geschiedenis de van 51 tot 30 v.Chr. heersende koningin van Egypte. Als een vrouwelijke Howard Carter was mijn leerkracht bezeten door het Egypte van 1000 jaar eerder. Ze verleidde mij met haar passie tot de devotie van een jonge Egyptische god.

Elizabeth Taylor als Cleopatra in de gelijknamige film uit 1963

De toewijding ging zo ver dat ik mij tot doel stelde het graf van Toetanchamon te bezoeken op de leeftijd dat hij stierf. Aldus geschiedde. Op een dag stond ik als negentienjarige voor één keer niet onder of boven, maar aan de grond genageld in het Dal der Koningen in Egypte. In het museum van Caïro zocht ik het beroemde gouden gezichtsmasker. Ik had er zelfs een calvarietocht door de woestijn voor over om mijn god te aanschouwen. De gemummificeerde lag dan wel diep onder het zand, ik herkende zijn gouden trekken in de rode gloed van de opgaande zon op de top van de Sinaïberg.

Tot mijn verbazing herrees mijn liefde voor Toetanchamon als een feniks uit de as toen ik op zaterdag 4 juli deze kop las: ‘Dit is de Toetanchamon van de vogels’. Twintig jaar geleden nam een amateurfossielenjager, Maarten van Dinther, een stuk steen ter grootte van een pak speelkaarten mee uit Eben-Emael. In de kei bleken resten te zitten van een waadvogel die 66,7 miljoen jaar geleden in het gezelschap van de dinosaurussen rondliep langs de branding van de tropische ondiepe zee in het huidige Belgisch-Limburg: de Asteriornis maastrichtensis.

Paleontoloog John Jagt spreekt over een ontdekking die te vergelijken is met die van Howard Carter in 1922: ‘Dit illustreert de vroegste stadia van de evolutie van de moderne vogel. Een nieuwlichter dus. Wat deze vogel modern maakt is een bek zonder tanden en een schedel uit één stuk. In Cambridge doopten wetenschappers het dier tot Wonderchicken. Het wondere aan de schedel is dat de achterzijde typisch voor eend of gans is, terwijl de voorzijde typisch kip is. De vogel is een voorouder van de huidige kippen, eenden en ganzen.

Dagelijks passeer ik tijdens mijn wandeling een levenloze houtduif. Ik vond het dier onder een beuk in de graskant. De natuur deed haar werk. Na enkele maanden bleven enkel het skelet en de pluimen over. Ik bewaar de schedel in een eierdoos in mijn boekenkast. Het betreft een modern exemplaar: een bek zonder tanden en een schedel uit één stuk.

Artistieke reconstructie van de Asteriornis maastrichtensis in zijn natuurlijke omgeving
Foto reconstructie Phillip Krzeminski

Een uitvergrote 3D-print van de Asteriornis maastrichtensis is vanaf 4 juli te bewonderen in het Natuurhistorisch Museum van Maastricht.

3D-geprint schedelfossiel van de Asteriornis maastrichtensis, Universiteit Cambridge
Foto Daniel J. Field
Schedel van de Columba palumbus, houtduif, Heist-op-den-Berg, 08/07/2020

Het leven van een kleine zelfstandige en exclusiviteitscontracten: de wilde bij

Let me tell you

‘bout the birds and the bees

And the flowers and the trees

And the moon up above

And a thing called ‘Love’

Dit alom bekende wijsje van Jewel Akens uit 1964 zoemt in mijn oren bij het zien van een voorbijvliegende bij. Het aantal wilde bijen neemt de laatste jaren sterk af door een tekort aan bloemen, een gebrek aan natuurlijke, wilde bloemen en het gebruik van pesticiden.

Desondanks telt België momenteel een 400-tal soorten wilde bijen. Elke soort beschikt over een sprekende naam, eigen kenmerken, specifiek gedrag en leefwijze. De zandbij (vosje, roodgatje) maakt een nest onder de grond, bij voorkeur onder een veld madeliefjes. De pluimvoetbij legt haar eitjes in voegen tussen tegels, de zwartgespoorde metselbij verkiest holle stengels (o.a. frambozenstruik), de behangersbij ‘behangt’ een holle houtgang met haar nageslacht en de wolbij verzamelt ‘wol’ van ezelsoor om haar nest mee te bouwen.

Een deel van de wilde bijen is heel sociaal. Ze leven in groep onder bewind van hun koningin. Koekoeksbijen zijn ware ‘homejackers’: Ze breken in in een bestaand nest van een andere bijensoort, plegen roofmoord en leggen eigen eitjes in de plaats. De ‘gastheer’ heeft niets in de gaten en de larve van de koekoeksbij kan zich te goed doen aan de voedselvoorraad. De grootste groep is die van de solitaire bijen. Zij hoeven niet te gehoorzamen aan de grillen van een koningin en leven als kleine zelfstandigen op hun eigen territorium.

Wonderwel slaagt elke bij erin bij de meest geschikte bloem te komen o.a. door het vermogen ultraviolet licht te zien. Dankzij de ultraviolette straling vinden bijen de bloemen met de meeste nectar. De liefdevolle communicatie tussen bloem en bij wordt beklonken met een exclusiviteitscontract. De andoornbij is met haar lange tong dol op de nectar van moerasanemoon. Met haar korte brede tong is de wormkruidbij te vinden op –u raadt het al- het boerenwormkruid.

Wie een bijenvriendelijke tuin wil, kiest best voor een variatie aan bloemsoorten: vlinder-, lip-,  scherm-en kruisbloemigen (witte klaver, kattenkruid, pastinaak, broccoli), composieten (paardenbloem), ruwbladigen (smeerwortel) en bloemen van de klokjes-, wilgen-, heide-, look-, rozen- en resedafamilie (rapunzelklokje, boswilg, appel, blauwe bes, bieslook, wilde reseda).

In naam van de liefde vermaak ik me deze zomer alvast met de bouw van een bijenhotel en sla bij het afrijden van het gazon een paar vierkante meter over. Volgend jaar rijd ik het gras niet meer af en kijk uit over een wilde bloemenwei! En dan…

Let me tell you…

Zandbij, Andrena, 31/03/2020
Foto Bart Cabanier

Roerloos

Vannacht werd ik aangevallen door een leeuwin. Uit het niets sloop ze geruisloos over de bovenrand van de kast. Ze had de hoek rechts van mij al bereikt. Ik vluchtte. Misschien was het slechts een fractie van een seconde. De achtervolging op leven en dood leek uren te duren. Om mijn kostbare vel te redden schudde ik mezelf wakker.

De avond ervoor stond ik voor een kast roofvogels in de stille ruimte van het opvangcentrum voor vogels en wilde dieren. De collega’s laten het voederen van de roofvogels graag aan mij over. Ze weten dat dit de plek is waar ik het liefst vertoef. De kast is verdeeld in zes vakken. Als in een appartement verbleven daar links boven twee jonge blazende kerkuilen. Daaronder, op de tweede verdieping, wachtten acht hongerige steenuilen. Gelijkvloers zag ik de schim van de torenvalk door het matte plexiglas. De bewoners aan de rechterkant bestonden van boven naar onder uit een iets oudere steenuil, een volwassen buizerd en een piepjonge kerkuil. Behalve de torenvalk en de buizerd die net gegeten hadden, deelde ik in totaal zestien stuks dode muizen uit aan de dieren.

De kleine kerkuil van rechtsonder kon niet zelf eten. Ik nam hem voorzichtig uit zijn hok, opende zijn weke bek en bracht de kleine stukjes voedsel een voor een met behulp van een plastic pincet naar binnen. Hij slikte ze langzaam door. De blazende kerkuilen voederde ik in het hok. De ene bleef rustig zitten, terwijl de andere me bij elke aangereikte hap trachtte aan te vallen met zijn nog onvolgroeide poten en klauwen.

Om er zeker van te zijn geen enkele over te slaan, nam ik elk van de acht steenuilen apart. Nog voor ze het eten aangereikt kregen, hoorde ik het klikken van hun naar voedsel happende bekken. De laatste muis bewaarde ik voor de eenzame steenuil van rechtsboven.

Mijn taak zat erop. Ik bibberde wat na. Ik had genoten van elke hap die ik hen gaf, maar hapte nu zelf naar adem. Het blijven tenslotte roofvogels.

In Planckendael werden op acht juni de ooievaarsjongen geringd. De kolonie bestaat daar nu uit meer dan 150 ooievaars. Tijdens het ringen blijven de kuikens roerloos liggen in het nest. Zo beschermen ze zich tegen een mogelijke aanval van roofvogels. Mijn schrik was compleet overbodig. Jonge vogels wachten doorgaans gewoon op hun eten. Bovendien vallen roofvogels alleen bewegende prooien aan.

Volgende week sta ik als een monnik voor het appartement. Ik beweeg zo min mogelijk. De dieren zullen rustig blijven en er zal ’s nachts geen leeuwin op mijn kast verschijnen. Mocht dit ooit het geval zijn, sla ik niet op de vlucht, maar blijf roerloos liggen.

Het was een leeuwin, geen leeuw. Vannacht had ik mezelf aangevallen.